Diervriendelijkheid

De geiten en schapen hebben een goed leven. Gelukkige en gezonde dieren vormen de basis van het bedrijf. Een dier kan lichamelijke en psychische stress ondervinden door slechte voeding, ruimtegebrek, vervuild drinkwater, te weinig daglicht, verveling, chaotische situaties en onrust in de stal, en teveel wisselingen van rantsoen, verzorgers, voer- en melktijden.

Enkele basisbehoeften zijn:

  • Voldoende voedsel dat bij de geit of het schaap past, namelijk ruwvoer in de vorm van gras, hooi, luzerne, takken (met bladeren), kruiden.
  • In beperkte mate krachtvoer in de vorm van brokjes, granen en voederbieten. Ze hebben, zeker aan het eind van de dracht en in het begin van de lactatie de energie uit deze producten hard nodig.
  • Voldoende ruimte. Rangorde is – vooral bij geiten –  erg belangrijk. Buiten kunnen ze elkaar ontlopen, maar in de stal is het al gauw te krap. Daarom is het van belang dat er genoeg mogelijkheden zijn om de rangorde ook in de stal te kunnen handhaven. De dominante dieren willen graag de beste plekken om te eten. Dus moet er voor de dieren lager in de rangorde ook voldoende plekken zijn om te eten en om een rustig plekje te vinden om te herkauwen en te rusten. Zo voorkom je onrust. Daarnaast moeten de groepen niet te groot worden (maximaal 60 individuen) omdat de dieren elkaar dan goed kennen en niet steeds elkaars krachten hoeven te meten. Schapen zijn toleranter naar elkaar en voelen zich juist veiliger als de groep groot is. Het is niet voor niets dat een geit een groepsdier is en een schaap een kuddedier.
  • Voldoende uitdaging. Geiten zijn slim en zullen snel dingen kapot gaan maken wanneer ze zich vervelen. Door ze weidegang te bieden en waar mogelijk iets om op te klimmen zullen ze zich lekker vermaken. Een schaap is een buitendier dat het liefst in de wei loopt en al grazend grote afstanden af legt.
  • Voorspelbaarheid.  Wanneer de dag volgens vaste rituelen verloopt zullen de dieren zich daarop richten. Vaste voermomenten, vaste rituelen rondom het melken en steeds dezelfde mensen waarmee ze te maken hebben bied veiligheid. Ook de koppel moet zoveel mogelijk hetzelfde van samenstelling blijven. De jonge dieren groeien zoveel mogelijk in de koppel op.
  • Moeder en kind. Een geit of ooi wordt na het aflammeren enorm door haar hormonen gedreven om voor haar lammeren te zorgen. Wanneer je die weghaalt geeft dat ongetwijfeld stress, bij zowel lam als moeder. Bovendien is het moeilijk om de lammeren de optimale zorg te geven. De natuur is zo volmaakt wat dat betreft. Een lam dat bij zijn/haar moeder zoogt, krijgt altijd steriele melk, op de juiste temperatuur en in de juiste hoeveelheid. Het heeft de moeder als voorbeeld om ook andere dingen zoals hooi en brokjes te gaan eten. Het leert van de moeder wat het in de wei wel en niet kan eten en van groepsgenoten hoe het zich moet gedragen. Daar kunnen wij als mens niet aan tippen. Lammeren na de geboorte weghalen zal dus ook niet gebeuren bij De WolleSik. Ze drinken dan natuurlijk wel een deel van de melk op, maar dat is iets wat wij als consument moeten accepteren. Eerst het lam, en dan pas is de melk voor ons. En om het dan ook economisch acceptabel te maken: een lam dat bij de moeder heeft gedronken groeit beter, is minder vatbaar voor ziekten en zal zelf later een betere melkgeit of melkschaap zijn.